U bevindt zich hier: DE SCHOUDER ANATOMIE

Schoudergewricht

Het schoudergewricht.

De schouder is het meest bewegelijke gewricht van het menselijke lichaam. Door zijn grote bewegingsvrijheid staat het schoudergewricht de arm toe in vele richtingen te bewegen en de hand in elke gewenste positie te krijgen. De bijzondere anatomische bouw van de schouder zorgt enerzijds voor maximale bewegelijkheid maar anderzijds voor een verhoogde kans op afwijkingen door het wankele evenwicht tussen mobiliteit en stabiliteit. Allereerst wordt de anatomische bouw van de schouder beschreven, gevolgd door een beschrijving hoe de schouder werkt.

Functie schouder

Koppelwerking van de schouderspieren De grote spier aan de buitenzijde van de schouder (deltoideusspier) beweegt de arm opzij. Later wordt dit overgenomen door de cuffspieren (suprsapinatus en infraspinatus), die onder de deltoideusspier liggen. De zorgen er voor dat de arm volledig opgetild kan worden.

De spieren rond de schouder spelen samen met het kapsel van de schouder een belangrijke rol bij het stabiliseren van de schouder. Vooral in het begin van de beweging is de functie van de spieren belangrijk om de kop in de kom te houden. Door een goed gecoördineerde werking van de deltoideus spier en de zogenaamde cuffspieren wordt de kop centraal in het kommetje gehouden.

Functie schouder

Koppelwerking van de schouderspieren De cuffspieren aan de voor- en achterkant van de schouder, houde de kop centraal in het kommetje. Door de kracht die deze spieren uitoefenen wordt de kop als het ware in het kommetje gedrukt.

Naast de spieren rond de schouder speelt ook het kaspel van de schouder een belangrijke rol bij het stabiliseren van de schouder. Het kapsel is een ingewikkelde structuur die bestaat uit verschillende functionele delen. Vooral het onderste deel van het kapsel zorgt voor stabiliteit tijdens bovenhandse bewegingen van de arm en schouder.

Functie schouder

Het kapsel-labrum complex. Dit deel van het kapsel speelt een belangrijke rol bij het stabiliseren van de schouder tijdens de bovenhandse beweging.

Het kapsel maakt deel uit van de statische stabiliserende factoren van de schouder. Bij het begin van de beweging is het schouderkapsel ontspannen en wordt de schouder door spietkracht stabiel gehouden. Naarmate de beweging toeneemt, komt het kapsel steeds meer onder spanning en zal uiteindelijk de beweging van de arm remmen. Door het op spanning komen van het kapsel wordt de schouder gestabiliseerd. Dit is vooral van belang bij de eindfase van de beweging. Functie van de schouderligamenten