U bevindt zich hier: DE SCHOUDER BIOMECHANICA

INLEIDING

De schouder De schouder is in staat extreme bewegingen uit te voeren door een ingenieus samenspel van stabiliserende factoren.

De schouder is biomechanisch gezien een interessant gewricht. Door de ruime bewegelijkheid en intrinsieke instabiliteit is een uitgekiend systeem van kapsel en spieren nodig om een goede schouder functie te krijgen.

Bij het stabiliseren van de schouder is een geïntegreerde werking van spieren en kapsel rond de schouder van groot belang.
Het belangrijkste principe van schouderstabiliteit is de "concavity-compression" theorie. Doordat het glenoid een holle vorm heeft en er door de spieren een kracht wordt ontwikkeld gericht op het glenoid, zal de kop van de schouder centraal in het glenoid gehouden worden. Er zijn echter nog meer factoren die een rol spelen.

De factoren die een rol spelen bij het stabiliseren van de schouder kunnen schematisch worden onderscheiden in statische en dynamische factoren. Men dient zich te realiseren dat deze factoren alleeen in samenhang met elkaar kunnen functioneren. Een afwijking in een of meerdere factoren kan aanleiding geven tot het ontstaan van een instabiele schouder.

De deltoideus spier

Dynamische schouderstabilisatie.

De schouder heeft een ruime bewegingsmogelijkheid. In elke positie dient de humeruskop een goed in het kommetje (glenoid) te blijven staan. Om dit te bereiken is een goede samenwerking tussen verschillende spiergroepen noodzakelijk.

De M. deltoideus begint met het opzij bewegen van de arm. Door zijn positie ten opzichte van het rotatie centrum wordt een comprimerende kracht uitgeoefend op de humeruskop in de richting van het glenoid en een schuifkracht naar boven .

Bij verdergaande abductie (>30 graden) wordt de rol van de intrinsieke schouder musculatuur (Musculus subscapularis, M. supraspinatus, Musculus infraspinatus) steeds belangrijker. Deze spieren drukken de kop van de schouder als het ware in het kommetje.

Biomechanica van de schouder

Stability ratio (Matsen 2006) Als de schuifkracht de compressiekracht overtreft kan de schouder uit de kom gaan.

Als de comprimerende krachten niet groot genoeg zijn om andere inwerkende krachten te neutraliseren, is het mogelijk dat de schouder niet centraal in het glenoid wordt gehouden of zelfs uit de kom schiet. (Matsen JBJS 2006)
Deze zogenaamde "Stability Ratio" is de kracht die nodig is de kop uit de kom te verplaatsen gedeeld door de comprimerende kracht van de musculatuur.

Statische factoren

Statische factoren schouder stabiliteit Het glenoid is komvormig. Het kraakbeen is aan de randen dikker dan in het centrum. Tevens is aan de periferie van het glenoid een extra kraakbeen rand aangelegd (het labrum). Hierdoor wordt het kommetje diepen wordt de schouder stabieler

De statische stabiliserende factoren werken nauw samen met de dynamische. De volgende structuren zorgen voor stabiliteit van de schouder

1) het komvormige glenoid.
2) het labrum, dat de diepte van het glenoid met 50 % vergroot.
3) het kapsel-ligament complex
4) negatieve druk in het schoudergewricht
5) co- en adhaesie van het gewrichtsvocht.

Van deze factoren zijn vooral het labrum en kapsel van belang om de schouder stabiel te houden tijdens het bewegen van de schouder.